De geschiedenis wordt geschreven door de overwinnaars zegt men, maar het voelt niet aan alsof we hebben gewonnen. Ondanks dat ik in 1976 ben geboren en er bijna nooit over werd gesproken, heeft de oorlog, en de bersiap tijd er na, een grote invloed gehad op mijn leven. Ik zal het familieverhaal van de familie de Bruijn, zoals ik het ken, vertellen opdat deze kennis niet verloren zal gaan. Iets wat eigenlijk al grotendeels is gebeurd.

De Japanners zagen mijn familie niet als Nederlanders, mijn familie altijd wel.

Mijn vader, Dick de Bruijn, werd vlak voor de oorlog geboren in Bandoeng. Hij was de jongste van drie broers: Peter, Frank en dus Dick. Toen de oorlog uitbrak moest zijn vader/mijn opa, Jan Pieter Dirk, het KNIL in. Na de capitulatie werd hij krijgsgevangen gemaakt en afgevoerd. Waar hij precies heeft moeten werken van de jappen is mij niet bekend. Hij schijnt aan de Birmaspoorlijn gewerkt te hebben, maar wat we zeker weten is dat hij is overleden als gevolg van het zware werk onder barre omstandigheden in een Japanse mijn. Mijn oma, Johanna de Bruijn van Charldorp, bleef alleen achter met drie zonen. Alle Nederlanders moesten het kamp in, maar mijn familie  gelukkig niet. Mijn oma wist de Japanners te overtuigen dat ze geen Nederlanders waren, wees hen op haar donkere ogen en getinte huidskleur en verzweeg een tak van de stamboom. De Japanners zagen mijn familie niet als Nederlanders, mijn familie altijd wel.

Mijn vader was de lichtst gekleurde van de familie en liep met zijn blonde krullen enorm gevaar.

kinderen-de-BruijnOndanks het feit dat men niet het kamp in moest was de oorlogstijd heel zwaar. Het openbare leven lag volledig stil (in tegenstelling tot Holland). Er was geen geld, geen eten en gevaar lag constant op de loer. Mijn oma was een erg sterke vrouw en is een bakkerij begonnen om te overleven. Ook woonden er andere families bij hen in huis. Mijn vader en ooms hebben niet veel verteld over de oorlog. In wat ze wel vertelden kwamen twee thema’s steeds terug: de wreedheden en vernederingen van de Japanners (je moest bijvoorbeeld altijd diep buigen als er een Jap voorbij liep, anders kreeg je slaag of erger) en het diepe respect dat ze voor oma hebben gekregen. Na de oorlog werd de situatie alleen maar gevaarlijker. Er werden talloze onschuldige mensen vermoord. Tegenwoordig wordt in de media voornamelijk de moordpartijen van de Nederlanders vermeld, maar dit deden de Indonesiërs ook. Mijn vader was de lichtst gekleurde van de familie en liep met zijn blonde krullen enorm gevaar. Hij moest dan ook voornamelijk binnen blijven, iets wat verschrikkelijk is voor een kleine jongen. Gelukkig zijn ze fysiek ongeschonden uit deze tijd gekomen, maar niet mentaal. Het voortdurend bang zijn voor je leven heeft zijn sporen nagelaten bij alle broers. En de angst was zeker niet onterecht. Men heeft bijvoorbeeld gezien dat de buren werden vermoord met klewangs en mijn vader heeft diverse lijken op straat zien liggen. In 1950 vertrokken ze naar Nederland en mijn oma was inmiddels hertrouwd met Co Couvee. Er zouden geen kinderen meer bij komen, maar Co, of Pappi zoals hij werd genoemd, was als een vader voor de jongens. Na zijn dood kwam mijn oma bij ons wonen. Ik was toen 4. Mijn vader was een echte pinda. Familie is erg belangrijk en oma was heilig voor hem. Mijn oma heeft tot haar dood, ruim 20 jaar, bij ons in huis gewoond. Ik heb veel respect voor mijn moeder dat zij dit heeft geaccepteerd.

De afkeer voor alles wat Japans is, werd me met de paplepel ingegoten.

Doordat oma zo dichtbij was heb ik veel contact met haar gehad. De afkeer voor alles wat Japans is, werd me met de paplepel ingegoten. Ik probeer daar nog steeds van af te komen, maar ik denk niet dat dat helemaal gaat lukken. Wel maak ik onderscheid tussen de samenleving/cultuur en individuen. Individuen zitten vaak ook maar gevangen in de maatschappij/cultuur waarin ze opgroeien. Ik merk trouwens ook dat ik de afkeer voor Japan automatisch doorgeef aan mijn kinderen. Iets wat ik liever niet zou willen. Waarom zou mijn zoon later niet in een Toyota kunnen rijden? Of een Sony tv aanschaffen? Of met een Japanse trouwen?….Allemaal zaken die voor mij nog gevoelig liggen.

Toen de familie in Nederland kwam, beseften ze dat de Nederlanders niet bezig waren met Indië. Enige erkenning van het leed dat men had geleden, heeft men nooit gekregen. Zowel niet van de bevolking als niet van de staat. Dat heeft mijn oma en vader veel pijn gedaan. Ik vermoed ook veel andere Indische mensen, maar het zit niet in hun aard om te klagen.

Eigenlijk draaide oma alleen maar met haar handen en riep dat ze aan het dansen was.

Maar oma en mijn vader hebben ook veel leuke dingen overgeleverd. Ik schiet nog in de lach als ik aan haar “dansen” terugdenk. Eigenlijk draaide oma alleen maar met haar handen en riep dat ze aan het dansen was.  Mijn vader was vol van het vliegeren in Indië. Het touw van de vlieger werd met glas ingesmeerd om zo het touw van een concurrerende vlieger door te kunnen snijden. Ook ging hij, gewapend met een katapult, de jungle van Java in op jacht als kleine jongen. En vergeet de Indische gerechten niet: de ‘bami cua’ is geweldig en maak ik voor mijn kinderen klaar. En vergeet de saté niet. Ik heb heel wat soorten geproefd in mijn leven (waaronder op Bali en Thailand), maar nergens nog lekkerdere saté geproefd dan ons familierecept.

Mijn vader is helaas vorig jaar, op 74- jarige leeftijd, overleden. Met hem valt mijn directe link met Indië weg. Ik besef dat ik er eigenlijk heel weinig van weet, maar ook dat de tijd waarin zij daar leefden ook in Indonesië al heel lang geleden is. De situatie daar is totaal anders nu. Bandoeng was toen een stad van 100 duizend inwoners en is nu een miljoenenstad. Mijn vader is rond het millenium nog eens terug gegaan naar Bandoeng, naar het huis waar hij is opgegroeid. Hij constateerde dat de Indonesiërs geen wrok koesteren of vijandig zijn ten opzichte Nederlanders. Dit heeft hem zeer goed gedaan. Hij heeft dit ook verteld aan zijn moeder en broers en hen aangespoord om ook een keer naar Java te gaan en dit zelf te ervaren, opdat zij ook vrede met verleden konden sluiten. Helaas zijn ze geen van allen hierop in gegaan.

Het leert ons dankbaar te zijn voor de veilige wereld waarin we in vrijheid leven.

Wat ik eigenlijk wil zeggen is dat het goed is om te weten waar we vandaan komen en wat onze families hebben doorstaan. Het heeft ons mede gevormd. Het leert ons dankbaar te zijn voor de veilige wereld waarin we in vrijheid leven. En tegelijkertijd moeten we ons ook realiseren dat het verleden niet meer terugkomt en ons richten op het hier en nu en de toekomst.

Thijs de Bruijn,
2e generatie Indische Nederlander.



op Twitter


op Facebook


op Google+