Herinneringen van een kind 1940Herinneringen van een kind 1940-1945

Ik heb mijn herinneringen 1940-1945 geschreven in een deel over mijn vader en een deel over mijn moeder. Wat ik heb geschreven over de Birma Spoorweg is dat, wat mijn vader kwijt wilde. Het is inderdaad zo, dat er niet veel over werd gesproken. Het deel over mijn moeder zijn mijn eigen herinneringen als kind. Ook zij heeft geleden onder de Japanse bezetting, waar ik van het volwassen leven van mijn moeder, geen weet van heb. Wel weet ik, dat die tijd in haar latere jaren, een rol heeft gespeeld in haar doen en laten.

In 1935 kwam mijn vader aan in Ned.Indië, nadat hij getekend had voor de KNIL. Hij werd Stafmuzikant en speelde trompet. Na de ceremoniële optredens met de hele kapel, werkten zij gewoon mee aan datgeen waar de KNIL voor stond. Ook hebben zij in het NIROM orkest gespeeld (Ned.Ind.Radio Omroep) onder leiding van dirigent de heer Bouman. In 1939 trouwde hij mijn moeder en kregen in mei 1940 een gezonde zoon en in augustus 1941 een evenzo gezonde dochter. Vanaf zijn tijd in dit heerlijke land kon zijn geluk niet op. Opeens was het over. De Japanners stormden het land binnen en maart 1942 werd hij hun krijgsgevangene met nog zoveel anderen. Na veel ontberingen kwam de groep aan in Cilacap, waar ze moesten wachten op de overtocht naar Siam.

Om de tijd te doden werd hen bevolen met een tandenborstel de wegen daar schoon te borstelen. Zij zijn één van de vele groepen, die overzee werden getransporteerd. De Indische Oceaan was, en is nog, vaak een woeste wilde vijand en daardoor vergingen er nogal eens schepen. Voor de groep uit Cilacap aan boord zouden gaan, was er een heel schip met krijgsgevangenen gezonken en de schrik zat er goed in. Uiteindelijk is deze groep aangekomen in Siam en werden tewerkgesteld aan de Birma Spoorweg. Zonder kleren, weinig eten, brandende zon en de vele slagen en mishandelingen was het een wonder, dat ze nog overeind konden blijven. Maar met elkaars steun en saamhorigheid lukte het sommigen. Om aan wat eten te komen, kochten ze een Japanner om met een trouwring of iets anders waardevols, die ze eigenlijk hadden willen bewaren. Ook hadden ze weleens een kat of een rat gevangen, die ze met een gekartelde blikdeksel, de nek met veel moeite hebben opengesneden.

Veel straffen werden uitgedeeld, waarbij de Japanners niet schuwden een bajonet te gebruiken. Ze lieten het slachtoffer op hun knieën met de bips omhoog liggen en staken de bajonet in het wilde weg ergens in. Dit is maar één voorbeeld van de gruwelijkheden, die mijn vader kwijt wilde. Hij had ook zo’n bajonetsteek ondergaan en heeft een groot litteken eraan overgehouden. Beriberi, maag- en darmproblemen, enz. enz. waren orde van de dag. Zichtbare littekens hadden ze allemaal, later kwamen de onzichtbare erbij, die niet meer weg te poetsen waren.

Geboycot aan de spoorweg, door hier en daar geen spoorspijker in te slaan, werd ook gedaan. Maar helaas de Japanners waren niet gek. Misschien hadden ze, als zij in die positie zaten, precies hetzelfde gedaan. Toen de spoorweg over de brug van de River Kwai klaar was, werden de krijgsgevangenen gesommeerd in de trein te stappen. Met een bijna hartfalen van de inzittenden kwam de trein gelukkig zonder mankeren aan de overkant aan.

Intussen zocht mijn moeder, geboren en getogen in Indië, als een bezetene naar mijn vader. Gelukkig waren haar de kampen, waar de Hollandse vrouwen zaten, bespaard gebleven. Op een fiets met een kind voor en één achterop, kon ze in het begin de route van de gevangenen nog volgen. Helaas kwam ze altijd te laat aan. Ze viel vaak de Japanners aan, wanneer ze werd tegengehouden en dan was haar straf urenlang in de zon staan met het gezicht naar de zon en met haar kinderen voor haar spelend op de grond. Toch wist ze van geen ophouden, ze bleef de groep met mijn vader volgen en incasseerde telkens weer de zonstraf.

Een keer duwde een Japanner ons met fiets en al in een soort ravijn. Voor mijn gevoel was die meters diep. Na een paar uur huilen en onze builen en schrammen gewreven te hebben, kregen we gelukkig hulp en werden we naar boven geholpen. Inmiddels was ze terechtgekomen buiten Batavia en wel in Bandung. Daar probeerde ze onderdak te krijgen, maar stootte steeds weer haar neus. Een avond zou nog kunnen, maar door het huilen van de honger van haar jongste kind, werd ze keer op keer weggestuurd. Toen ze te horen kreeg dat haar groep gevangenen niet meer in het land zaten, keerde ze terug naar Batavia. Daar kon ze na al die omzwervingen terecht bij familie en vrienden. Zij bood aan voor kost en inwoning te naaien, borduren, herstellen en zo meer, daar was ze goed in. Toch bleef ze denken hoe achter te komen, waar mijn vader was. Ze ging naar een fotograaf en liet van ons drietjes een foto maken. Op de achterkant van deze foto schreef ze rechts haar naam, haar verblijfplaats en links mijn vaders naam, zijn mil.nummer, en –rang. Met een Japanse stempel en zonder envelop verstuurde ze deze foto.

In 1945 kreeg mijn vader via het Rode Kruis de foto in handen. Meer dood dan levend, beloofde hij zichzelf uit deze put te komen. “Voor hen moet ik overleven”. Zijn wilskracht op te knappen was zo groot dat hij half 1946 ons drietjes op het vliegveld in Bangkok stond op te wachten. Het was een emotionele begroeting tussen mijn vader, moeder en broertje. Ik deed niet mee, want ik kende die man niet. Wel zei ik netjes: “Dag, meneer”. O jee, mijn vader omhelsde mij en zei dat hij mijn pappa was, geen meneer. Ik kon hem niet geloven, ik heb 5 jaar geen pappa gezien en bleef lang meneer zeggen. Mijn vader vond dat niet leuk en vroeg of ik misschien –oom- kon zeggen. Dat heb ik gedaan en wel heel lang tot zijn grote verdriet.

Herinneringen van een kind 1940-2

Wij bleven nog een paar maanden in Bangkok voordat alles geregeld was en wij naar Holland konden gaan voor mijn vaders groot verlof van 1 tot 1.1/2 jaar. Het was een feest voor hem – terug naar zijn ouders met het hele gezin. Maar ach, na nauwelijks een half jaar moest hij onmiddellijk terug naar Indonesië voor de bersiap. Mijn moeder, mijn broer en ik bleven weer zonder hem achter.

Ook dit keer liet mijn moeder het er niet bij zitten, ook zij wilde terug en liep maanden achtereen Den Haag plat. Na zoveel maanden soebatten konden wij dan eindelijk in oktober 1947 naar huis terug op eigen risico, omdat mijn moeder al 6 maanden zwanger was. Tijdens de hele bootreis terug naar ons Indië was mijn moeder doodziek. Bij aankomst stond mijn vader met een ziekenwagen klaar om haar naar het ziekenhuis te brengen, waar een 7-maands meisje werd geboren. We waren allemaal weer gelukkig en nog gelukkiger toen er in 1949 een zoon het viertal compleet maakte.

Door de souvereiniteits-overdracht eind 1950 naar Holland. We waren weer een gezin. Fijne, gelukkige jaren kwamen over en weer, maar de Birma Spoorweg en de Jappen bleven in het hoofd van mijn vader. Hartinfarct op hartinfarct kwamen en toen besloten mijn vader en moeder toch maar eens terug te gaan naar de Spoorweg. Daar heeft mijn vader gelopen met zijn herinneringen en hier en daar raapte hij iets op langs de rails o.a. een paar grote ijzeren spoorspijkers. Als herinnering voor zijn kleinzonen. Maar het oorlogsyndroom raakte hij niet kwijt en bleef het houden tot aan zijn dood.

Gelukkig mochten wij onze vader tot zijn bijna 91ste jaar bij ons houden.

Annie Bladergroen-van Brakel
geboren op 4 augustus 1941 te Batavia

 



op Twitter


op Facebook


op Google+