Herdenken en doorgeven – Toespraak Kolonel KLu b.d. Drs. Carel E.M. Banse Herdenking capitulatie Japan in Rotterdam, 15 augustus 2013

HERDENKEN EN DOORGEVEN

Voor Eveline

We herdenken vandaag de capitulatie van Japan in 1945. Wat betekent dat eigenlijk en wat willen we door deze dag te herdenken aan elkaar doorgeven?

De capitulatie was enerzijds het einde van een periode. Een einde aan de verschrikkingen van oorlog, van verdriet, leed, ontbering, honger, wreedheid, vernedering, van angst en van wantrouwen. Anderzijds is het een begin van een nieuw leven. Een leven in vrede en vrijheid, al duurde het nog menig jaar voordat het voor de meesten van u ook zo ver was. Velen dragen en ervaren nu nog steeds de diepe krassen op hun ziel, die deze donkere tijd in de Nederlandse geschiedenis, in onze geschiedenis, heeft achtergelaten. Velen kunnen de slaap niet vatten of willen de slaap niet vatten uit angst voor die gevreesde herinneringen, die zich op onberekenbare en onverwachte manier zo indringend kunnen manifesteren. Zoals bij mijn schoonvader, die afgevoerd is geweest naar Japan om dwangarbeid te verrichten en zoals bij hen, die onder erbarmelijke omstandigheden en onder een wreed bewind aan de Birmaspoorlijn hebben moeten werken. Zoals bij u, die het meegemaakt heeft…..

Maar waar ik het hier over heb, dat zijn niet mijn herinneringen, dat zijn niet mijn ervaringen. Ik ben van na de Tweede Wereldoorlog: geboren in 1955, vier hoog achter in de Koornwaardstraat 19D in Overschie, langs de weg naar Den Haag. Mijn vader was militair bij het Koninklijk Nederlands Indisch Leger. Hij was destijds, in dienst van de Koninklijke Landmacht, als vrijwilliger naar Korea gegaan om in het Nederlands Detachement Verenigde Naties voor de vrede en vrijheid van anderen te vechten. Hij was mijn held. Maar ik snapte toen niet waarom hij ons, en huis en haard kon achterlaten om naar een vreemd land te gaan. Ik begreep ook niet wat dat precies inhield, dat idealisme: ‘vechten voor de vrede en vrijheid van anderen….’ We woonden met uiteindelijk zeven kinderen op die vierkamerflat in Overschie. Oma woonde bij ons in. En als mijn oom Boy, die bij de Koninklijke Marine diende, thuis was, woonde ook hij bij ons. En op een of andere manier paste het allemaal. Oma vertelde ons, de jonge kinderen, vaak verhalen over het Jappenkamp, waar ze met mijn moeder en diens jongere broers een aantal jaren heeft moeten doorbrengen, in een ruimte veel en veel kleiner dan deze grote flat. Het waren spannende verhalen over een soort vakantieoord, waar spelletjes gedaan werden, veel werd gelachen, mensen elkaar hielpen en waar dagelijks gezamenlijk werd gegeten. Zoals Oma het vertelde, wilde je haast dat je er bij geweest was. En toch was er iets in die verhalen, dat ik niet goed kon plaatsen. Ik begreep toen niet wat dat precies was…. Mijn moeder was gastvrij en iedereen kon altijd meeUeten: het bezoek kon en mocht niet weg gaan voordat ze van mama’s kookkunst hadden genoten: ze hadden immers nog een lange weg naar huis voor de boeg. Mammie was een ware kunstenares met eten en een inventieve kokkin, die steeds van niets ‘iets’ kon maken. Met bewondering keek ik toe hoe ze het elke keer voor elkaar kreeg zoveel monden te voeden met zo weinig middelen….

Later, toen mijn Oma een flat voor zichzelf had gekregen in Hoogvliet, ging ik graag bij haar logeren. Dan vertelde zij weer die verhalen en aten we met de hand, samen zittend op de grond in de keuken: rijst met gestoomde kool en zelfgemaakte sambal uit de tjobek. Die rijst mocht ik dan eerst scheppen uit de 25 kilogram zware baal rijst, die ze zorgvuldig in haar met levensmiddelen volgestouwde voorraadkast bewaarde. Waarom er zoveel eten in huis was voor iemand die alleen leefde, met al die winkels in haar nabijheid, ook dat begreep ik niet….

Zoveel onbegrip, zoveel onduidelijkheid, zoveel vragen. Toen ik ouder werd, wilde ik meer weten van wat er zich heeft afgespeeld in Indië in die tijd, over de Jappenkampen, over oorlog, over onzekerheid en onderling wantrouwen, over wat voor vreselijke dingen mensen elkaar kunnen aandoen. Ik ben gaan lezen, gesprekken gaan voeren met familieleden en anderen, die het zelf hadden meegemaakt. De verhalen bleven in eerste instantie spannend en kleurrijk. Hoe langer de gesprekken echter duurden en hoe meer ik vroeg, des te emotioneler werd de gesprekspartner en des te donkerder werd het relaas. Nog steeds kan ik veel dingen niet helemaal bevatten, maar ik weet nu dat mijn schoonvader letterlijk ‘doodsbang’ was als hij in zijn dromen werd achtervolgd en geslagen door zijn bewakers. Ik weet nu waarom mijn vader zich maar moeilijk echt aan ons, zijn kinderen, kon geven: hij had al zoveel geliefden verloren. Mijn moeder had haar recepten opgeschreven in de gaarkeuken van het Jappenkamp, omdat dat nog de enige manier was om zinvol met eten bezig te zijn: in die gaarkeuken probeerde zij van niets ‘iets’ te maken. En mijn oma wilde nooit meer misgrijpen als het om eten ging; zij wilde daarvoor niet meer afhankelijk zijn van anderen.

Hun verhalen en hun achtergronden hebben mij gemotiveerd om mij, net als mijn vader, in te zetten voor de vrede en vrijheid van anderen. 35 jaar dienst bij de Koninklijke Luchtmacht in een tijdperk, dat zo veel verschilt van de diensttijd van mijn vader, maar wel met dezelfde opgave: ‘voor een betere wereld en voor vrede en vrijheid voor iedereen’. Ik begrijp nu ook beter wat voor verschrikkingen u en velen met u hebben moeten ondergaan. Hoeveel ouders en kinderen die zwarte tijd niet hebben overleefd. Hoeveel kracht en doorzettingsvermogen u moet hebben gehad om het wel te overleven. Maar ook hoeveel kracht en lenigheid van geest het elke dag opnieuw kan vergen om te kunnen genieten van hetgeen u nu wordt aangeboden. Uw verhalen zullen worden doorverteld; uw ervaringen en gevoelens kunnen echter niet worden doorgegeven door hen, die het niet zelf hebben meegemaakt. In het boekje ‘Een draad van angst’1 dat precies dertig jaar geleden werd gepubliceerd, staat het zo:

‘..Ik vind dat we ons dat toch wel goed voor ogen moeten houden, nu wij als overlevenden, en in meer of mindere mate gezonde overlevenden, ons verhaal nog kunnen vertellen. Ik denk dat wij toch niet in staat zijn om de verschrikkingen die er zijn geweest, in volle omvang weer te geven en over te brengen…’

Degenen, die het allemaal meegemaakt hebben, verdienen onze hoogste waardering en ons diepste respect. Wij allen mogen ons gelukkig prijzen dat we vandaag, 15 augustus 2013, de capitulatie van Japan kunnen herdenken. Dat we aan elkaar kunnen doorgeven wat het belangrijkste goed is: ‘een betere, liefdevolle wereld, vrede en vrijheid voor een ieder’.

1 Theo Wilton van Reede en Arjan Onderdenwijngaard, Een draad van angst, over Japanse vrouwenkampen op Java en het leven daarna, Nijgh & Van Ditmar, Den Haag (1983) ISBN 90U236U5585U0



op Twitter


op Facebook


op Google+